De mythe van de groene vingers

20140503_141156
Als ik mensen vertel dat ik tuinontwerper ben, krijg ik vaak de vraag: “dan heb je zeker wel groene vingers”. Uhm. Nou nee! Ik heb helemaal geen groene vingers. Sterker nog, ik heb het idee dat mensen met groene vingers helemaal niet bestaan. Heb jij ze weleens gezien dan, mensen die letterlijk groene vingers hebben? Nee toch? Nagels met rouwranden. Dat wel. Maar groene vingers? Nee, die bestaan niet!

Er wordt vaak onnodig moeilijk gedaan over groen. En als een tuin er goed uitziet en de planten er gezond bij staan, dan heeft de tuineigenaar vast groene vingers (of een leger aan tuinmannen met groene vingers). Hoe kan het anders allemaal zo florissant bij staan.

Ik ga daar in de komende serie een boekje over open doen. Dat planten goed groeien heeft namelijk niets te maken met groene vingers, maar alles met de juiste plant op de juiste plaats. Mensen met een mooie tuin hebben dus geen groene vingers. Ze hebben iets heel anders: ze hebben een groen brein. Ze kunnen zich verplaatsen in planten en dat wat ze nodig hebben.
Dat kan jij ook, want er zijn een aantal zaken waaraan je kan zien op welke plek een plant zich thuisvoelt. Als je dat eenmaal doorhebt, krijg jij ook een groen brein en kan je zonder groene vingers toch een mooie tuin maken.

Deel 1: de grond is de basis. Hoe weet ik welke grondsoort ik heb?
Deel 2: de grond is de basis. Hoe verbeter ik mijn grond?
Deel 3: de grond is de basis. Composteren dus, maar hoe maak ik compost? 
Deel 4: zon of schaduw? zoek het uit.

 

Advertenties

Zaaipotjes vouwen

Er zijn zo van die planten die het niet fijn vinden als hun wortels verstoord worden bij het uitplanten. Lathyrus (pronkerwt) is daar een voorbeeld van. Ik heb daarom weer zaaipotjes gevouwen. Wil je weten hoe je zaaipotjes vouwt? Kijk dan dit filmpje.

Ik hoor wel eens: “is dat niet schadelijk, die drukinkt?” Daar hoef je niet bang voor te zijn. Moderne drukinkten bevatten gelukkig geen giftige stoffen meer.

Zon of schaduw? Zoek het uit.

Daar sta je weer met een plantenlabel in je hand met allerlei symbolen. Je kent ze wel:

zon of schaduw

Je weet dat het eerste zonnetje staat voor een zonnige standplaats, het tweede voor halfschaduw en het derde voor schaduw. Maar wat betekenen die symbolen nu eigenlijk precies, en hoe weet je of je genoeg zon hebt om een zonaanbidder een goede plek te bieden (of genoeg schaduw om een plant die van diepe schaduw houdt tevreden te houden). Ik ga het je uitleggen. En precies op het goede moment, want de dagen rond 21 maart en 21 september zijn bij uitstek geschikt om vast te stellen hoeveel zon je in je tuin hebt. Want de hoeveelheid zon op die dagen is het uitgangspunt van de labelmakers geweest.
Bekijk dus je tuin op of rond 21 maart of 21 september en leg op een plattegrond van je tuin vast waar en hoelang de zon schijnt op verschillende plaatsen. Maak een zogenaamde zon- en schaduwkaart. Je kan dat bijvoorbeeld doen door om 9 uur, 1 uur en 5 uur te kijken.
Je krijgt dan een dergelijk plaatje:

zon en schaduwkaart

Je hebt nu in kaart gebracht hoe de zon door je tuin beweegt en kunt er bij het maken van je tuinontwerp rekening mee houden. Waar komt dat zonneterras en waar lees je op een zomerse lentedag je ochtendkrantje? Als je weet hoeveel zon er op welke plek komt, heb je een goede basis voor een vlekkenplan.
En nu terug naar het plantlabel:
Het deel van de tuin dat meer dan zes uur zon krijgt ligt in de volle zon.
Komt er tussen de zes en drie uur zon, dan heb je daar halfschaduw.
Met minder dan drie uur zon spreken we van een schaduwplek
Trouwens: schaduw in de tuin is helemaal niet erg. Ik heb hierover eerder geschreven:
Artikelen over schaduw in de tuin

Dit artikel is onderdeel van de serie ‘de mythe van de groene vingers’. Want je hebt geen groene vingers nodig, maar een groen brein.  

De grond is de basis : maak een composthoop

composthoop van pallets

Composthoop gemaakt van pallets

Het nut van compost

Wie tuiniert, maakt afval. Dat wil zeggen: tuinafval. Je kan dit afval natuurlijk meegeven aan de plaatselijke reinigingsdienst. Beter voor de tuin, en handiger voor jezelf is het om het te composteren. Niet alleen tuinafval kan je op een composthoop verwerken, maar ook allerlei fruit- en groenteafval uit je keuken. Zelfs papier en karton kan je erop kwijt. Maar alles met mate natuurlijk. Composteren verkleint niet alleen de afvalstroom, het levert ook een nuttig eindproduct op. Compost is humusrijk en daarom bruikbaar als bodemverbeteraar voor je tuin. Of je nu zand- of kleigrond hebt, op alle grondsoorten is compost goed voor het verbeteren van de structuur.

Heb je nog geen composthoop, dan kan je nu alvast gaan bedenken waar je die kwijt zou kunnen in je tuin. De vroege lente, van februari tot april, is de ideale periode om een composthoop op te starten. Hoe groot die composthoop moet worden hangt af van de grootte van de tuin. Maar in het algemeen geldt, hoe groter de hoop, hoe sneller het materiaal dat je verzamelt composteert. Een grote composthoop ontwikkelt binnenin namelijk meer warmte (tot wel 60º C) dan een kleine. Een maat van minimaal 1 kubieke meter is ideaal.

Hoe bouw je een composthoop op

Je begint met het verzamelen van grof materiaal (snoeihout of plantenstengels). Dit vormt de onderste laag, die in contact moet staan met de grond. Een composthoop bouw je dus liever niet op tegels.
Daarna bouw je de hoop in laagjes op, door verschillende soorten afval af te wisselen. Voor een goede structuur en voldoende luchtigheid vermeng je zoveel mogelijk ‘groen’ en ‘bruin’ afval.
‘Groen afval’ is keukenafval en vers tuinafval (grasmaaisel, onkruid, planten, etc). ‘Bruin afval’ is snoeihout, herfstbladeren, gedroogd grasmaaisel, papier, etc.

composthoop

De composthoop omzetten zorgt voor snellere vertering

Na enkele weken zet je de composthoop om, dat wil zeggen: je keert hem om, zodat alles door elkaar gemengd wordt. Dat keren zorgt ervoor dat er meer warmte ontwikkelt in de composthoop. In de composthoop zitten namelijk bacteriën die zuurstof nodig hebben. Als de temperatuur sterk gaat dalen, is dat een teken dat de activiteit van de zuurstofminnende bacteriën afneemt.  Dan is het tijd om de composthoop om te zetten. Hierdoor komt er weer zuurstof in de organische massa en dat versnelt de vertering. Als alles goed gaat is de eerste compost na ongeveer zes maanden klaar voor gebruik.

Als je de ruimte hebt, dan maak je twee of drie composthopen naast elkaar. Dat vergemakkelijkt het omzetten van de compost.

Een composthoop die goed is opgebouwd en op de juiste plek staat, hoort hij niet te stinken. Een composthoop zet je niet in de volle zon en ook niet in de schaduw. Ongeveer drie uur zon op de hoop is het beste.

Meer tips om je groene brein te ontwikkelen vind je hier.

Kijk voor meer tips over composteren ook eens bij Milieu Centraal.

De grond is de basis

bodem schepje pixabay

Op wat voor grond tuinier je. Heb je dat weleens uitgezocht?

Er zijn verschillende manieren om dat te doen. Om te beginnen kan je kijken naar de locatie van de tuin. Hier heb je de eerste grove aanduiding van de grondsoort te pakken.

Woon je in een duingebied met een zanderige bodem, of op een plek waar tot voor kort de spruiten nog van het land kwamen. In dat geval heb je vermoedelijk met kleigrond te maken. Tussen deze twee uitersten zit nog een heel palet aan grondsoorten. En dat heeft allemaal te maken met het formaat van de onderdelen waaruit de grond bestaat. In onderstaande tekening kan je een leuke test zien die je kan doen om te bepalen wat voor soort grond je hebt. Neem een handje grond, probeer te boetseren en kijk wat je van de grond kan maken.

grondsoorten

Nu je weet wat voor grondsoort je hebt, kan je al wat gerichter zoeken naar planten die passen bij deze grondsoort.

Maar naast het feit of je op zand, silt of klei tuiniert zijn andere zaken van belang. Zo houdt de ene plant van zure grond en de andere van neutrale of kalkrijke grond. Ook dit kan je onderzoeken. Hiervoor zijn eenvoudige Ph-testjes in de handel.

Wat ook werkt is kijken naar de planten die het goed doen in omliggende tuinen. Typische planten voor een zure bodem zijn: Rhododendron, Skimmia, Heide, Hortensia en Hamamelis (toverhazelaar). Zie je die bij de buren uitbundig groeien en bloeien, dan kan je ervan uitgaan dat dit type planten het bij jou ook goed doen.

Op een kalkrijke bodem hebben nog meer planten het naar hun zin. Aster, Lavendel, Ridderspoor, Clematis en Good Old Sering zijn maar enkele voorbeelden daarvan.

Kijk dus goed om je heen voordat je planten gaat aanschaffen. Dan is de kans groter dat ze goed aanslaan.

Meer tips om je ‘groene brein’ te ontwikkelen vind je hier.

Hoe verbeter ik de grond in mijn tuin?

pixabay spade

Deze kan je beter zo min mogelijk gebruiken

Als je vastgesteld hebt welke structuur de grond in je tuin heeft (kleine deeltjes = klei, grove deeltjes = zand (en alles wat daar tussenin zit)) kan je gaan bedenken hoe je de bodem kan verbeteren als dat nodig is.

De ideale grond is luchtig van structuur, bevat voldoende humus (plantenresten) en zit vol dierenleven. In een schepje grond leven miljarden organismen zoals bacteriën, schimmels, regenwormen en aaltjes. Zo’n levende bodem moet gevoed worden. Om goed te groeien hebben planten namelijk stikstof (N), fosfor (P) en kalium (K) nodig. Stikstof zorgt voor een goede groei, fosfor bevordert de wortelvorming en kalium werkt positief op bloei en vruchtvorming, maar ook op de stevigheid van de plant.

Bemesten met kunstmest is gemakkelijk, maar raad ik toch niet aan. Kunstmest voedt namelijk wel de planten, maar doet niets om het bodemleven te verbeteren. En van een levende bodem moet je het hebben in een tuin.
Organische mest (afkomstig van dieren en compost) voedt de bodem wel. Ook plantenresten die je tussen de planten laat liggen worden door de organismen in de bodem verteerd en omgezet in voeding voor de bodem. Niet te netjes tuinieren dus!

Organische mest werkt geleidelijk, maar langdurig. Dat komt doordat de voedingsstoffen eerst door het bodemleven moeten worden omgezet naar stoffen die de plant op kan nemen. Bij koud weer duurt dit langer dan ’s zomers; de tuin bemesten doe je daarom in de lente bijtijds, zodat de voedingsstoffen beschikbaar zijn als de planten beginnen te groeien.

Het mooie is dat dierlijke mest en compost zowel zand- als kleigrond verbeteren:

  • kleigrond wordt luchtiger en de drainage wordt verbeterd
  • op zandgrond worden water en voedingsstoffen beter vastgehouden.

Let erop dat in compost niet erg veel voedingsstoffen zitten, maar wel veel onmisbare sporenelementen. Ook is compost rijk aan organisch materiaal, dat uiteindelijk als humus in de grond terugkeert. Strooi compost royaal tussen de vaste planten; uiteindelijk zullen de wormen het door de toplaag werken.

Lees hoe je een composthoop maakt.

Niet spitten!

Als je nu denkt dat je hard aan de slag moet en je in het zweet moet werken om al dat goede spul in de bodem te krijgen, lees dan verder. Spitten is niet nodig en zelfs schadelijk voor het bodemleven. Organismen die bovenin leven houden van licht en lucht. Ga je spitten dan komen ze ineens in een laag terecht waar weinig zuurstof en licht is. Hetzelfde geldt natuurlijk voor organismen die dieper in de bodem leven. Die zijn aan de zuurstofarme omstandigheden gewend. Voordat het evenwicht is hersteld ben je snel een paar maanden verder.

Wat dan wel? Laat de bodem rusten en voedt de bodem van bovenaf. Het bodemleven zorgt dat de mest of compost verteerd wordt en omgezet in voeding voor de bodem en de planten.

Ik schreef eerder over dit onderwerp: niet spitten, maar laten rusten

Dit artikel is onderdeel van de serie ‘de mythe van de groene vingers’.

 

 

Tijd voor vijveronderhoud

Een vijver is het meest gebaat bij rust. Toch is het soms nodig de vijver schoon te maken en onderhoud te verrichten. De beste periode daarvoor is rond half september. In die periode schaadt je het dierenleven (denk aan kikkers, salamanders en larven van libellen) het minst.
De volwassen amfibieën zijn al uit het water gekropen en de meeste larven zijn klaar met hun metamorfose. De soorten die in het water overwinteren, zijn nog niet teruggekomen.
Wees niet te rigoureus bij het schoonmaken. Amfibieën die in de vijver overwinteren hebben een laag nodig waarin ze weg kunnen kruipen. Ook allerlei organismen die belangrijk zijn voor een natuurlijke balans in de vijver hebben een bodemlaag nodig om te overwinteren.