Een slimme regenton tegen wateroverlast

Vandaag is er een slimme regenton in mijn achtertuin geplaatst. Wat kan er nou slim zijn aan een regenton zou je zeggen. Dat ga ik je uitleggen.

De slimme regenton is ontworpen door Studio Bas Sala. Net als een gewone regenton vangt de slimme regenton water op dat via de hemelwaterafvoer van het dak van het huis afkomt. Het slimme zit erin dat de regenton met het internet is verbonden. Via een webapplicatie krijgt de ton het plaatselijke weerbericht binnen. Daarnaast zit er een sensor in de ton die meet hoe vol hij is.

Komt er nu een hele heftige regenbui aan, en is de regenton vol, dan krijgt de ton een signaal en loopt hij leeg voordat de regenbui valt. Hij is dan weer beschikbaar om water op te vangen. De piekbelasting voor het riool wordt daardoor verlaagd. En dat is gunstig, omdat juist bij enorme hoosbuien de riolering in stedelijke gebieden al het water niet aan kan.

Met een app en de daaraan gekoppelde website kan je de waterhuishouding in je tuin volgen en zie je hoeveel liter water er minder het riool in gaat tijdens een hoosbui dankzij jouw regenton. De energie die hiervoor nodig is wordt geleverd door een zonnepaneeltje.

De slimme regenton wordt nu in een pilotproject geplaatst in twee buurten in Schiedam-West (een wijk waar het risico op een overbelast riool groot is). Het project is een samenwerkingsverband tussen de gemeente Schiedam en het hoogheemraadschap Delfland. Door mijn betrokkenheid bij groen in de stad ben ik in aanraking gekomen met dit project en mocht ik begin mei gastvrouw zijn van de bijeenkomst waarin de slimme regenton bij mij en mijn buren is geïntroduceerd. De avond was een succes en alle aanwezigen hebben voor een slimme regenton gekozen.

Van mij mag het nu gaan regenen. Ik wil zien wat ik met mijn slimme regenton op een innovatieve manier bijdraag aan het tegengaan van wateroverlast.

 

 

 

Slakbestendige hosta’s

hosta

Geen Hosta zonder slakken (behalve als een egel jouw tuin bezoekt). Toch zijn er soorten die beter tegen slakken kunnen dan anderen. Hieronder een aantal Hosta’s die als redelijk slakbestendig bekend staan.

Slakbestendige hosta’s

  • Paradise Joyce (40 cm, centrum eerst blauw, later geel en dan wit met blauw groene rand)
  • Devon Green (40 cm, intens glanzend donkergroen blad)
  • El Nino (40 cm, intens blauw blad met een witte rand)
  • First Frost (40 cm, hartvormig blauw blad met een gele, later crème rand)
  • Canadian blue (40 cm, intens blauw hartvormig blad)
  • Halcyon (50 cm, intens blauw hartvormig blad)
  • June (50 cm, geel centrum met een blauw groene rand)
  • Big Daddy (90 cm, rond gecupt en gebobbeld blauw blad)
  • Sum and Substance (100 cm, extreem groot geel groen blad, in de zon zeer geel)

Wil je op pad om Hosta’s te kopen, en heb je dit lijstje even niet bij de hand (of zie je gewoon andere mooie soorten); dan is er een vuistregel die je kunt onthouden. Die vuistregel is: hoe blauwer het blad, hoe minder de slakken er van houden. Ook dikkere bladeren worden minder gewaardeerd door slakken. Let daar dus op bij de aanschaf van nieuwe Hosta’s.

De hostakwekerij is een boeiende wereld waar veel in gebeurt. Jaarlijks komen er allerlei nieuwe variëteiten op de markt. Kwekers letten daarbij steeds meer op de slakbestendigheid van hun hosta’s. Goed nieuws dus als je Hosta’s zonder slakken wilt, en nog geen egel in je tuin hebt.

Een natuurlijke tuin helpt als het gaat om het bestrijden en voorkomen van ziekten en plagen in je tuin. Wil je een ontwerp van zo’n natuurlijke tuin? Neem dan contact met mij op.

Eindelijk mijn Hosta zonder slakken

Hosta zonder slakkenschade 3

In mijn tuin is een wonder gebeurd. De Hosta die ik al een paar jaar in een pot heb staan komt dit voorjaar ongedeerd boven de aarde en wordt niet aangevreten door slakken.

De reden? Ik heb een egel in mijn tuin.

Egel in een kleine stadstuin? Het kan dus.

Overal vind ik lege slakkenhuisjes als bewijs van het bestaan van deze egel en vorige week heb ik hem ook rond zien scharrelen onderaan de muur die met klimop begroeid is. ‘Mijn’ egel laat zich overdag niet zien. Alleen aan de langwerpige drolletjes die ik op het terras vind (en de hosta zonder gaten) kan ik zien dat hij er nog steeds is. Het is ook logisch dat ik hem overdag niet zie. Egels zijn dieren van de nacht en schemering.  Op zoek naar voedsel kunnen ze in een nacht wel een paar kilometer afleggen.

Ik hoop dat de egel nog vaak op bezoek komt, en ik hoop hem nog een keer live te ontmoeten.

Over wat je kan doen om een egel te laten overwinteren in je tuin schreef ik eerder.

De egelbescherming heeft een informatieve site met informatie over de leefwijze van egels en tips om egels te helpen. Want hulp kunnen ze wel gebruiken. Het gaat niet zo goed met de egelstand in Nederland.

Nu te bezoeken: de Koninklijke serres van Laken

20140503_113947

Wil je de botanische pracht en praal van het Belgische koningshuis zien, dan kan je terecht in de Koninklijke Serres in Laken. Grijp nu je kans, want de Serres zijn alleen in het voorjaar gedurende een korte periode geopend (dit jaar van 14 april tot en met 5 mei) en een bezoek is beslist de moeite waard.

Wintertuin naar voorbeeld van Kew

De serres werden in art nouveau stijl gebouwd naar een ontwerp van Alphonse Balat in opdracht van Leopold II. Vermoedelijk heeft Leopold zich bij de bouw van de grootste serre (van 1874 tot 1876), de wintertuin, laten inspireren door het beroemde “Palm House” in de Kew Gardens in Londen. De Wintertuin, als belangrijkste gebouw van het complex van de Koninklijke Serres, was van groot belang voor de ontwikkeling van de ijzerarchitectuur. De kassen waren bedoeld als symbool van de koloniale macht van de koning in Belgisch Congo.

20140503_114007Tussen 1885 en 1887 ontwierp Balat nog de Palmen-, de Kongo- en de Dianaserres en ten slotte, in 1893 de “ijzeren kerk”, een door kranskapellen omgeven neo-Byzantijns geheel waarvan de koepel gedragen wordt door twintig kolommen van Schots graniet. Deze serre wordt dan ook officieel de Kapelserre genoemd.

De Wintertuin bij het paleis te Laken fungeert nu als decor voor de ontvangsten van de koning. Elk jaar in de lente worden de serres gedurende 20 dagen voor het publiek opengesteld volgens de wens van Leopold II. Deze traditie wordt door alle vorsten die na hem regeerden voortgezet.

De plantencollectie

De plantencollectie bevat planten die in de tijd van Leopold II al zijn aangeplant. Er zijn vele plantensoorten te zien, waaronder azalea’s, banaan, Brugmansia, Camelia, fuchsia’s, hortensia’s, Pelargonium, rozen en varens.

Combineer een bezoek met de Nationale plantentuin in Meise

In de omgeving van Laken zijn nog meer bijzondere tuinen te vinden. Je kunt een bezoek aan de Koninklijke Serres bijvoorbeeld combineren met de nationale plantentuin in Meise. Een botanische tuin van wereldformaat die op een kwartier rijden van Laken ligt.

In de tuin is het zogenaamde Plantenpaleis, één van de grootste serrecomplexen in Europa. Je kunt er wandelen door het historisch domein van 92 ha vol plantencollecties van overal ter wereld. Plantentuin Meise is ook een onderzoeksinstelling waar tropische en Europese plantkunde centraal staat. Onderzoeksprogramma’s zijn erop gericht om zoveel mogelijk planten voor de toekomst te bewaren. Maar het is bovenal een prachtige tuin. Heb je de kans, grijp die dan, en reis af naar onze zuiderburen.

 

 

 

Nu op zijn mooist: Euphorbia, ofwel Wolfsmelk

Euphorbia 3.jpg

Ik geef het grif toe. Ik heb een zwak voor de Euphorbia. En dan met name voor de Euphorbia characias subsp. wulfenii (of wat simpeler: de Wolfsmelk). En nu (in april) is hij op zijn mooist.

Het begint al met de naam: Euphorbia. Die naam heeft iets in zich van euforie. En euforisch kan je wel worden als die zinderende groengele kleur je toe straalt.
Er zijn ook andere verklaringen voor de naamgeving. Hij zou afkomstig zijn van de Griekse geneesheer Euphorbos die rond het jaar nul experimenteerde met het witte melksap dat de plant uitscheidt. Een andere verklaring is dat Euphorbia is samengesteld uit eu (goed) en pherboo (voeden), omdat het melksap werd gebruikt om teringlijders te genezen. Ik vind mijn verklaring (hoewel historisch misschien niet correct) toch leuker.

Het sap is overigens giftig en irriterend voor de huid. De Euphorbia pak je dus het liefst met handschoenen aan.

In mijn straat is het begonnen met één Euphorbia in mijn eigen geveltuin (waar hij heel mooi combineert met de lavendel die ernaast staat), maar nu na enkele jaren staat de straat er vol mee.

De Euphorbia wil graag veel zon en een doorlatende bodem waar het water snel wegloopt. Ideaal dus in een geveltuin op het zuiden. De Wolfsmelk zaait zich gemakkelijk uit en kan zich ook tussen voegen van tegels vestigen. Maar je haalt hem net zo gemakkelijk weer weg waar je hem niet wilt hebben. Dat levert dus geen problemen op.

Nog een laatste weetje: De familie van de Euphorbia is heel groot en kent wel 2000 soorten. Ook de kerstster, die rond Kerst in de huiskamer staat, hoort bij deze familie.

 

Zon of schaduw? Zoek het uit.

Daar sta je weer met een plantenlabel in je hand met allerlei symbolen. Je kent ze wel:

zon of schaduw

Je weet dat het eerste zonnetje staat voor een zonnige standplaats, het tweede voor halfschaduw en het derde voor schaduw. Maar wat betekenen die symbolen nu eigenlijk precies, en hoe weet je of je genoeg zon hebt om een zonaanbidder een goede plek te bieden (of genoeg schaduw om een plant die van diepe schaduw houdt tevreden te houden). Ik ga het je uitleggen. En precies op het goede moment, want de dagen rond 21 maart en 21 september zijn bij uitstek geschikt om vast te stellen hoeveel zon je in je tuin hebt. Want de hoeveelheid zon op die dagen is het uitgangspunt van de labelmakers geweest.

Bekijk dus je tuin op of rond 21 maart of 21 september en leg op een plattegrond van je tuin vast waar en hoelang de zon schijnt op verschillende plaatsen. Maak een zogenaamde zon- en schaduwkaart. Je kan dat bijvoorbeeld doen door om 9 uur, 1 uur en 5 uur te kijken.

Je krijgt dan een dergelijk plaatje:

zon en schaduwkaart

Je hebt nu in kaart gebracht hoe de zon door je tuin beweegt en kunt er bij het maken van je tuinontwerp rekening mee houden. Waar komt dat zonneterras en waar lees je op een zomerse lentedag je ochtendkrantje? Als je weet hoeveel zon er op welke plek komt, heb je een goede basis voor een vlekkenplan.

En nu terug naar het plantlabel:

  • Het deel van de tuin dat meer dan zes uur zon krijgt ligt in de volle zon.
  • Komt er tussen de zes en drie uur zon, dan heb je daar halfschaduw.
  • Met minder dan drie uur zon spreken we van een schaduwplek

Trouwens: schaduw in de tuin is helemaal niet erg. Ik heb hierover eerder geschreven:
Artikelen over schaduw in de tuin

Aardappelen : je hebt er geen tuin voor nodig

 

Aardappelen poten (5).jpg

Bij de Dordtse zaadhandelaar Vreeken was mijn oog gevallen op de ‘Swift’ en de ‘Red King Edward VII’. Een vroeg ras en een ras voor de hoofdteelt.

 

Dit weekend heb ik de eerste aardappelen gepoot.  Aardappelen kweken hoeft niet moeilijk te zijn. En je hebt er ook geen enorme tuin voor nodig. Op mijn volkstuin heb ik dan wel de ruimte, maar die gebruik ik liever voor andere zaken. Ik plant mijn aardappelen daarom altijd in grote potten of flexibele emmers (nu weer te koop bij de Action).
Daarbij gebruik ik de methode die Alys Fowler beschrijft in haar boek: de eetbare tuin. Ik plant de aardappelen in een laag grond van zo’n tien centimeter. Zodra de planten de kop boven de grond steken (zo’n tien centimeter), gooi ik er meer grond bij. Op die manier aard je de aardappelen aan en maakt de plant piepers over de hele lengte van ondergrondse stengel. Zet de pot in de volle zon en geef regelmatig water (en voor een grotere opbrengst zo nu en dan een kalimeststof, bijvoorbeeld die van Ecostyle).
Begint (na zo’n drie a vier maanden (afhankelijk van de soort aardappel en het weer)) het blad te verwelken, dan is het tijd om te oogsten. Je kiept de pot om en je kan de aardappelen rapen. Zo simpel is het.
Na de oogst kan je ervoor kiezen de pot te gebruiken voor een andere groente. Je doet dan het blad van de aardappelplant onderin de pot en doet de grond er weer in. Dan zaai je bijvoorbeeld radijs, sla of een andere snelgroeiende groente.
Nadat je deze in het najaar voor het laatst geoogst hebt, kan je de zelfde pot en grond nog een keer gebruiken door er een groenbemester (zoals Rogge) in te zaaien. Die laat je tot de lente in de emmer staan. Het graan ziet er mooier uit dan een kale bak en het is een plant die voedingsstoffen aan de grond afgeeft. Je graaft de rogge eenvoudigweg onder en de hele cyclus kan weer opnieuw beginnen. Niet met aardappelen overigens. Want dit is een plant waarbij het erg belangrijk is om aan teeltwisseling te doen om te voorkomen dat de gevreesde aardappelziekte toeslaat.
Je ziet. Aardappelen kweken is niet lastig, en kan eigenlijk overal. Wil je hulp bij het ontwerpen van een eetbare tuin? Neem dan contact met mij op.